is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopt leerboek der geschiedenis van het vaderland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belastingwezen. Op de begrooting van 1848 bleef er na aftrek der uitgaven voor de schuld en voor leger en vloot ruim 18 millioen over voor het eigenlijke bestuur van den staat, in 1898 daarentegen ruim 70 millioen; toch waren de belastingen in eerstgenoemd jaar veel drukkender dan in den tegenwoordigen tyd. Ten deele is dit te verklaren uit het toenemen der welvaart en de versterking der draagkracht der bevolking, voor een ander belangrijk deel uit de doelmatige hervorming van ons belastingwezen.

De Indische baten. Dit alles is zeer in de hand gewerkt door de belangrijke baten uit de koloniën, die van 1849 tot 1877 meer dan 441 millioen in de schatkist hebben doen vloeien. Daardoor is men in staat geweest een groot deel onzer schuld af te lossen en tegelijkertijd enorme bedragen voor openbare werken te besteden. Zoo daalde de rente der staatsschuld van 1848 tot 1877 van 35 tot 25 millioen, niettegenstaande het aanleggen der staatsspoorwegen en van de waterwegen van Amsterdam en Rotterdam. Ons financiewezen werd geheel ingericht op de ontvangst der Indische baten; tot dekking der begrooting van 1867 moest het overschot van het batig slot van 1865, dat van 1866, benevens datgene, wat men in 1868 hoopte te verkrijgen, dienen. Het was dus geen wonder, dat men, toen de bijdragen uit Indië door den Atjeh-oorlog uitbleven, in groote moeilijkheden geraakte en de schuld weer belangrijk toenam. Toch is op dit oogenblik de rente der staatsschuld lager dan in 1848, hoewel er vele millioenen belegd zijn in openbare werken, alleen in de spoorwegen ruim 330 millioen.

Belastinghervorming. Bij de hervorming van ons belastingwezen heeft men vooral twee beginselen gevolgd: opheffing van alle belastingen, die schadelijk op de volkswelvaart werken, en heffing naar draagkracht. Van het eerste hebben wij reeds enkele voorbeelden gezien (pag. 213). Ook de afschaffing der hinderlijke gemeente-accijnzen (1865) moge hierbij genoemd worden. Dit was meteen een uitvloeisel van het tweede beginsel; alle accijnzen toch houden slechts in zeer beperkte mate rekening met de draagkracht der bevolking. Veel is op dit gebied gedaan; de accijnzen op varkens- en schapevleesch, op brandstoffen, op het gemaal, op de zeep zijn afgeschaft, die op het zout is aanmerkelijk verminderd; vooral de lagere standen z\jn