is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor de methodiek der leervakken, ten dienste van hen, die studeeren voor de hoofdacte en voor vergelijkbare examens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. In don zomer is de schaduw korter dan in den winter op denzelfden tijd van den dag.

4. Slechts op twee tijdstippen van denzelfden dag is de schaduw even lang.

Door nu de richting der schaduw in verband te brengen met den stand der zon, worden de leerlingen zich van een regelmatige verplaatsing van het hemellichaam bewust; door de lengte in verband te brengen met dien stand, leeren ze liet feit kennen, dat de zon ook op denzelfden tijd van verschillende dagen niet even hoog aan den hemel staat. (Dit laatste verschijnsel ook rechtstreeks laten waarnemen!)

c. Het opgangs- en ondergangspunt der zon. Is dit niet op enkele dagen des jaars werkelijk waargenomen (in den winter gaat het vrij licht, in den zomer moeilijker), dan is het inzicht in de verdeeling des jaars niet te verkrijgen.

1. De zon gaat op 21 Mrt. en 23 Sept. op dezelfde plaats op (liever onder).

2. Op twee datums gaat de zon op dezelfde plaats onder.

3. Het ondergangspunt verplaatst zich geregeld.

4. Den 21 Juni en 21 Dec. gaat ze resp. het verst naar 't noorden en 't zuiden onder.

Natuurlijk wordt een en ander in verband gebracht met schaduwlengte, schaduwrichting, temperatuur enz.

III. De maan. Deze waarnemingen gaan moeilijker klassikaal. Toch is het mogelijk, door den leerlingen bepaalde opgaven te stellen, enkele verschijnselen te laten opmerken.

Zoo moeten ze ervaren:

1°. dat haar vorm na een week een halve cirkel is met de bolle

zijde naar links. (L. K.)

2°. dat na weer een week de maan in 't geheel niet gezien

wordt. (N. M.)

3°. dat ze weer aangroeit aan den rechterkant;

4°. dat ze vier weken na volle maan weer vol is;

5°. dat bij volle maan deze even na zonsondergang opkomt; 6°. dat zij eiken avond ± 50 minuten later opkomt;

7°. dat ze niet steeds op dezelfde plaats opkomt en niet altijd even lang schijnt.