is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor de methodiek der leervakken, ten dienste van hen, die studeeren voor de hoofdacte en voor vergelijkbare examens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat is het verband der feiten in te zien, opdat zoodoende de geschiedenis worde een „vak met veel formeele waarde."

4. Bespreken we nu liet zedelijk element in de historie.

Wat kunnen de kinderen leeren van de personen, die voor hen ten tooneele worden gevoerd? Begrijpen ze die personen en hun daden? En zullen die tot navolging prikkelen?

Daden en personen (hun eigenschappen, waarvan de daden vaak rechtstreeks een gevolg zijn) — ze zijn de bronnen voor kennis van zedelijk goed en kwaad.

Aan dat deel der historie heeft Rousseau een paar schoone bladzijden gewijd.

Rousseau dan zou enkele dagen bij een familie doorbrengen, zoo verhaalt bij. Het zoontje des huizes genoot zijn opvoeding (zooals dat zeer vaak bij aanzienlijke families het geval was) van een goeverneur. Nu woonde R. op een morgen een les bij in de oude geschiedenis. Besproken werd de geschiedenis van Alexander van Macedonië en zijn geneesheer Philippus. (Men herinnert zich, hoe aan Alex. den Groote was verteld, dat Philippus overgehaald zou zijn hem te vergiftigen).

De goeverneur, overigens een man van groote verdienste, hield verschillende beschouwingen ever den moed van Alexander, die hieruit bleek, dat de vorst het glas, dat de geneesheer hem bood, in één teug uitdronk, wijl hij niet kon gelooven, dat de trouwe geneesheer zoo snood zou zijn. Die beschouwingen nu bevielen Rousseau maar in t geheel niet. Toch hield hij zich stil. Aan tafel werd gewoonlijk nog al een en ander besproken en het zoontje vond daar ruimschoots gelegenheid van zijn kennis te laten blijken. Eindelijk viel het gesprek op Philippus. Het kind vertelde de historie zeer juist en met veel „gratie:" het scheen die geschiedenis volkomen te begrijpen. Aan toejuichingen ontbrak het dan ook niet.

De meeste der dischgenooten, die nu de daad van Alexander tot een onderwerp van gesprek hadden gekozen, laakten den moed van Alexander; sommigen bewonderden dien, op het voorbeeld van den goeverneur. Het bleek Rousseau. dat niemand der aanwezigen zag, waarin de ware schoonheid van Alexanders daad school en nu besloot hij zich ook in het gesprek te mengen; hij zou zich gaan opwinden, toen een vrouw, die naast hem zat en die nog geen woord had gezegd, zicli naar hem toe boog en hem toefluisterde: „zwijg, Jean Jacques, — ze zullen je niet begrijpen " Rousseau keek haar aan ... en zweeg.

Na het eten nam hij den knaap bij de hand, liep met hem het park in en ging hem nu eens alleen en op zijn gemak ondervragen over de geschiedenis, die hij zoo goed had verteld.

Hij merkte nu, dat niemand meer dan ..de jonge doctor" den moed van Alexander bewonderde. Maar, zoo vervolgt R. „weet ge, waarin hij den moed zag? Alleen in ^et in een enkelen teug uitdrinken van een zoo slecht smokenden drank — en dat zoo zonder aarzeling, zonder verzet!"

Hij, de knaap, herinnerde zich nog den drank, dien hij voor een paar weken had moeten innemen!