is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor de methodiek der leervakken, ten dienste van hen, die studeeren voor de hoofdacte en voor vergelijkbare examens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de daarmee samenhangende schrijfwijze, zeer veel gemak. Stellen we nu, dat onze leerling ook moet berekenen de som van 9 en 4.

Hij weet, hoe de hoeveelheid 9 wordt voorgesteld; n. 1. als vijf en dan nog vier (| 11 11 | | | | ). Hij weet ook, dat we steeds zorgen eerst tien te krijgen. De leerling ziet in zijn gedachten (omdat hij de hoeveelheid menigmaal zoo heeft voorgesteld) vijf ballen en een eindje verder rechts nog 4 ballen. Bij die 4 ballen doet hij er eerst 1.

Hij krijgt nu 5 en 5 (10) en er zijn 3 over. Hij weet, dat men 10 en 3 dertien noemt en daarmee is hij klaar. Hij behoeft niet te tellen. Moet luj weten: de som van 8 en 5, dan vormt hij eerst weer tien; daarbij heeft bij nog 3 te doen.

Volgens deze wijze van handelen moet dus de leerling in de eerste plaats weten, dat hij 10 vormt uit 5 en 5; 2n. hoe uit 3 en 7; 4 en 6; 2 en 8 enz. 5 en 5 gevormd kan worden en 3°. boe de kleinere hoeveelheden (2—9) kunnen worden ontbonden. Zoo moet bij bij 8 en 5 weten, dat 5 = 2 + 3, om n. 1. bij 8 zooveel te doen, dat hij 10 krijgt enz. Waarop berust dus onze wijze van doen? Eenvoudig hierop, dat de leerlingen zicli de hoeveelheid tien en ook de kleinere hoeveelheden duidelijk voorstellen. Nu kan dit niet anders dan door bepaalde dingen te nemen: streepjes op het bord, ballen op het telraam, de vingers enz.

Vragen we: „hoe stelt ge 7 voor?" dan moet de leerling een vaste groepeering hebben, die hem ten allen tijde van dienst kan zijn. Hij zal daarvoor nemen 5 en 2.

liet beginsel, dat wij gevolgd hebben, is het beginsel der aanschouwelijkheid.

We hebben daarmee dit voordeel: weet op zeker oogenblik de leerling niet meer hoeveel 7 en 7 is, dan herinneren we hem slechts aan de groepeering van 7 (5 en 2); bij de 2 heeft hij nog 3 te voegen om tien te krijgen en de overige 4 daarbij geven 14.

Hetzelfde geldt voor de grootere getallen. Ook van hoeveelheden als 27, 39 enz. dient de aanschouwing vooraf te gaan. Dit is noodig én voor de hoeveelheid zelf én voor de latere bewerkingen met die hoeveelheden. Denkt de leerling zich bij