is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor de methodiek der leervakken, ten dienste van hen, die studeeren voor de hoofdacte en voor vergelijkbare examens

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

We noemden ze vrijwel gelijkstaande, omdat in beide gevallen slechts één der getallen is samengesteld (tient. 4- eenh.).

Dat we 46 c. -f- 3 c. verkiezen vóór 46 c. 4-40 c., vindt hierin zijn verklaring: 40 c. moet nog eerst anders worden opgevat (als 4 d.); dit is bij het voorbeeld 46 c. 4- 3 c. niet noodig. Dan komt: 27 c. 4-8 c. Daar hier gewisseld moet worden, laten we voorafgaan: 27 c. 3 c. enz., waarbij het gezamenlijk aantal centen juist een dubbeltje waard is.

Nu volgen nog: 23 c. + 45 c. en 23 c. 4- 49 c., zoodat we tot dit overzicht komen:

20 + 40; d. + d. = ....d.

57 + 2; (d. -f- c.) + c. .... d. + .... c.

52 + 30; (d. + c.) + d. = .... d. + .... e.

34 -f* 6; td. •{- c.) -{- c. = .... d.

37 + 9; (d. -f c.) -f c. = .... d. -f .... c.

^ ~i" 23; (d. -f- c.) -f- (d. -f- c.); liet aantal d. en c. beide 10.

72 + 29; (d. c.) (d. -f- c.); liet algemeene geval.

Zeer gemakkelijk is het nu in te zien, waarom we voor de hiermee evenwijdig loopende gevallen der aftrekking de volgende nemen:

d. — d. (60 — 201.

(d. -|- c.) — c. (59 _ 2;.

(d. + c.) — d. (82 — 30).

d-~c- (40— 6).

(d. + c.) c. (37 — „leenen" (wisselen).

c ) (d* + c*) (27 — 14'. niet wisselen.

(d. -}- c.) (d. -|- c.) (85 — 39) het algemeene geval.

Stellen we de gevallen naast elkaar, dan is de evenwijdigheid in 't oogvallend.

0. d.+ d. = d. a. d. - d. = d.

1. (d. + c.) + c. = d. + c. b. (d. -f c.) — c. = d. + c.

c. (d. + c.) + c. = d. + c. c. (d. -f c.) —d. = d. + c.

d. (d. + c.) + c. = d. d. (d. — c ) = d. + c.

e. (d -f- c.) + c. ~ d. + c. e. (d. + c.) — c. = d. -f c.

ƒ. (d. + c.) + (d. + c.) = d. + c. ƒ. fd. + o.) — (d. + c.) = d. + c.

.<!■ (d. + c.) + (d. + c.) = d. 4- c. g. (d. + c.) — (d. + c.) = d. -f c.

Bij e en g wordt gewisseld.

^ oor de vermenigvuldiging en deeling geven we slechts een overzicht.