is toegevoegd aan uw favorieten.

Kleine Hoogduitsche spraakkunst

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPELLING.

§ 28. 1. Verdubbeling van den medeklinker.

In liet Duitsch vindt men dikwijls oen dubbelen medeklinker, waar wij een enkelen medeklinker schrijven.

B.v.: de bal en der Ball, do man en der Mann, hij stelt en er stellt, manlijk en inannlich, de renbaan en die Rennbahn.

Waarom moet in liet Duitsch in deze woorden de medeklinker verdubbeld worden? (Vgl. § 2.)

Hierbij moet worden opgemerkt:

1°. dat de k als ck en de z als tz verdubbeld wordt;

vgl.: icli erschrecke (ik schrik) en ieh erschrak (ik schrok), die Katze (de kat) en die Mieze (de poes).

2°- dat de ss (ff) alleen staat tussclien twee klinkers en vervangen wordt door de sz, waar bij niet tussclien twee klinkers staat (dus voor een medeklinker en aan het eind van een woord).

B.v.: liassen (luiten), haszlieh (loeiijk), er haszt (hij haat), der ] lasz (de haat).

De s wordt dus verdubbeld als ss voor een klinker, als tz voor een medeklinker en aan het einde van een woord.

Vgl.: ich bis;, du bijjest, er bi#z, wir bifgen, ihr bigzt, sie bij«en.

NB. In Latijnsch letterschrift wordt de s-, in strjjd met de hier gevolgde gewoonte, gewoouljjk ilnor ss vervangen.

Dus: der lias», hiisslich, er liasst.

Opmerking.

Wanneer een woord met een dubbelen medeklinker geschreven wordt, zoo blijft in het Duitseh die dubbele medeklinker in alle vormen, afleidingen en samenstellingen van dat woord, tenzij de voorafgaande korte klinker verlengd wordt.

Vgl.: rea«en, er re*»t — die Reuabahn.

re«*en, hij re»t _ de reabaan.

daarentegen: treilen, traf; backen, buk.