is toegevoegd aan uw favorieten.

De gezonde geloovige, zijnde een verhandeling der evangelische bekeering, ontdekkende het werk van Christus' geest in de verzoening eens zondaars met God

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VEROOTMOEDIGING BESTAAT.

tegen komen? Of zij brengen zullen duizenden van rammen, en tien duizenden van oliebeken, of de vrucht haars buiks voor de zonde hunner ziel? Paulus rekende deze plichten gewin, Fil. 3:7, en schatte die zeer hoog, omdat hij meende, dat God zelf het deed. Als de Heere de ziel geraakt heeft, dan is het eerste geluid dat zij geeft: Wat zal ik doen? Doen? zegt het geweten. Verlaat uw zonden, doe zooveel goed als dezen en genen, stel al uw krachten in het werk, bid, hoor en spreek met anderen; God neemt de goede begeerte aan en eischt van niemand meer, dan te doen wat hij kan. Daarop legt de ziel de beide riemen uit, ofschoon tegen wind en stroom, en werkt en worstelt met haar zonden, op hope van het eens beter te hebben, en hierin rust ze. Merk eens op, evenals de zonde haar grootste kwaad is, zoo is het weg doen van haar zonden en het zoeken om beter te worden, haar zeer zoet; en dit zoet zijnde, rust zij in hetgeen zij heeft en zoekt naar hetgeen haar ontbreekt, en zoo hoopt zij dat alles eens wel zal worden. Hier staat zij stil; ofschoon zij, God weet het ,buiten Christus is en op Hem zich niet kan verlaten, al heeft zij duizendmalen van Hem gehoord. Vandaar komt het dan, wanneer zij zich zeiven in geenen deele kunnen ontlasten, dat hun harten wegzinken of twisten met God, dat hij hen niet beter maakt. Maar geliefden, het is wonderlijk te zien, hoe de menschen veeltijds rusten in een weinigje, dat zij hebben en doen.

2. Maar terwijl het dus met de ziel staat, is zij ongeschikt voor Christus; want die om zichzelven te behouden, op andere dingen vertrouwt, of zich zeiven tot een Zaligmaker stelt; of die rust in zijn plichten zonder een Zaligmaker, kan nooit door Christus behouden worden. In het negende Hoofdstuk der Romeinen, vers 32, 33, wordt gezegd, dat de Joden Christus' gerechtigheid verloren, omdat zij niet zochten door het geloof, maar zij zochten hun zaligheid in hun eigen gerechtigheid. De Heere zegt, dat die man vervloekt is, die vleesch tot zijn arm stelt, gelijk alle plichten en betrachtingen des menschen zijn, als hij er op vertrouwt, Jer. 17:5, 6. Doch de Heere verlaat zijn uitverkorenen hier niet; die met de wet gehuwd is, kan niet met Christus vereenigen, voordat hij eerst gescheiden worde, niet van de plichten zelve, maar van daarop te vertrouwen en daarop te rusten, Rom.