is toegevoegd aan uw favorieten.

De gezonde geloovige, zijnde een verhandeling der evangelische bekeering, ontdekkende het werk van Christus' geest in de verzoening eens zondaars met God

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE HOOFDDEEL. %

WAARIN AANGETOOND WORDT, DAT ALLEN DIE OVERGEZET ZIJN

IN DEZEN GE ZEGENDEN STAAT, VERPLICHT ZIJN TE LEVEN, EEN LEVEN VAN LIEFDE IN VRUCHTBARE EN DANKBARE GEHOORZAAMHEID AAN HEM, DIE HEN GEROEPEN HEEFT, VOLGENS DEN REGEL VAN DE WET DER ZEDEN, Ps. 40 : 7, 8.

De Heere roept niet zoodra zijn volk tot zich, of zij roepen terstond uit, zoodra Hij hen aldus gekroond heeft met deze heerlijke voorrechten en eenig gevoel daarvan heeft gegeven : O Heere wat zal ik nu voor U doen ? Hoe zal ik nu voor U leven? Wij weten dat zij nu niet meer zichzelven maar de zijnen zijn, weshalve zij Hem nu moeten leven. Zoo gij Mozes vraagt, wat Israël voor hem doen moest, na al de liefde en goedertierenheid die de Heere aan hen had betoond ? Gij zult zijn volkomen antwoord vinden, Deut. 10 : 12, 13. En nu o Israël, wat eischt de Heere uw God van u? Dan den Heere uwen God te vreezen, in al zijne wegen te wandelen en Hem lief te hebben, en den Heere uw God te dienen, met uw gansche hart, en met uw gansche ziel, om te houden de geboden des Heer en, en zijn inzettingen die ik u heden gebied, 11 ten goede. Zoo gij Paulus vraagt, die een evangelisch christen was, zooals er ooit een leefde, wat ons te betrachten staat, wanneer wij in Christus zijn ? Hij antwoordt nauwkeuriglijk, 2 Cor. 5 : 14, 15. De liefde van Christus dringt ons, als die dit oordeelen, dat Christus stervende, voor degenen die dood waren, zij die leven, niet meer zichzelven zouden leven, maar dien die voor hen gestorven en opgewekt is. Zoo wij Petrus vragen, tot welk einde de Heere ons geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht? Hij zegt dan uitdrukkelijk, opdat wij zouden verkondigen de deugden desgenen die ons geroepen heeft, 1 Petr. 2:9.

Zoo wij twijfelen of dit de zin des Heeren is, de Heere verklaart het door Zacharias, Luc .1 : 74, 75, en zegt dat het zijnen wil is, dat wij verlost zijnde uit de hand onzer vijanden,