is toegevoegd aan uw favorieten.

Salomons tempel, door het evangelielicht opgehelderd en vergeestelijkt

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den Christelijken Lezer.

Ik heb, zooals ge in dit kleine boek zien kunt, het gewaagd in dezen tijd mijn best te doen, om u iets te toonen van de Evangelische Heerlijkheid van Salomo's Tempel, die daarvan een voorbeeld was en strekte tot onderwijzing van onze Vaders, zoowel als nu aan ons, hare kinderen; 't welk ik, om het te meer onderscheidenlijk te doen, elk stuk in 't bijzonder vervolgens heb verhandeld, tot het getal van zeventig Hoofdzaken; namelijk, al wat ik daarvan in mijn gedachten kon brengen, dewijl als ik geloove, geen een van die was, of had hare beteekenis en alzoo iets voordeelig voor ons te kennen en te betrachten was.

Want hoewel wij God op deze manier nu niet behoeven te dienen, in zulke instellingen als eens de oude kerk deed; nochtans (te weten hare manieren en te verstaan de natuur en beteekenis van hare instellingen, wanneer die worden vergeleken bij het Evangelie) mag nu nog, 't geen anderen eens genoten en nu dood zijn, aan ons meer licht toedienen. En hierom, de Nieuwe Testaments-Dienaren, gelijk als de Apostelen, maken nog veel gebruik van de Oude Testaments taal en ceremonieële instellingen, wegens hare beteekenis, om 't geloof der Godzaligen te hulp te komen en te sterken in hare Prediking van Christus Evangelie des vredes.

Ik mag zeggen, dat God in eene goede manier de kerk van de Joden onderwees door schaduwen en voorbeelden, in alle uitwendige deelen van den Godsdienst. Ja, niet alleen de Levietische Wet en Tempel, maar als het mij toeschijnt, het gansche land Kanaan, de plaats van haar lot en erfdeel, om in te wonen, was voor haar als een ceremonieële of zinnebeeldige figuur. Haar Land was een voorbeeld van den Hemel; haar trekken over de Jordaan daarin, eene gelijkenis van ons gaan naar den Hemel, door den dood, Lev. 19 : 23. Cap. 16 ; 34, 35. Hebr. 3 : 5—10. De vruchten van haar land waren gezegd te zijn onbesneden, als zijnde in haar eerste ingang onrein, om van de zonden verlost, uit den staat der natuur, door genade te raken in de zalige heerlijkheid, Exod. 12 : 15. Lev. 6:17. Cap. 23 : 17.