is toegevoegd aan uw favorieten.

Van spreken tot schrijven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

witte zwanen voor de leerlingen weer iets moeilijker. Vandaar oef. 29 met de combinaties, en verder 30—31. (Zie Aant. 2e leerjaar, bij Oef. 67—68.)

Oef. 32—37. Zie Aant. 2e leerjaar bij Oef. 3—4; en Aant. 2e leerjaar bij het Aanhangsel: „leesoefeningen." Vooral bij de woorden met s, z, v en ƒ komt verwarring door de wijziging in de uitspraak ten gevolge van den invloed van voorafgaande woorden. In 't bijzonder in die streken waar de leerlingen toch al niet vast in hun schoenen staan.

Oef. 38—56 en 63—64. (Zie Handl. § 130.)

a. Het is verkeerd te doen, alsof oud, goed bij verlenging oude, goede werden, leder zegt: ouwe, goeje. Vandaar de splitsing in twee gevallen. Anders te doen is een van de vele wijzen waarop het taalgevoel bedorven wordt. (Zie § 125.)

b. De woorden beleefd en stout eindigen beide op een t; slechts wordt de eerste t door een d afgebeeld. Nu moet het doel der oefeningen zijn, dat de leerlingen een middel leeren toepassen dat hen, als ze een woord op t hooren, in staat stelt onmiddellijk een keuze te doen tusschen d en t. Vandaar oef. 40; deze voert meer rechtstreeks tot het doel dan de invulling: wilde beesten: een wil- bees-. (Zie § 9.)

Oef. 41 dient ter voorbereiding van oef. 42: de leerlingen moeten vlug de meervouden van ik, je enz. weten, voor de toepassing van den regel der verlenging. Vermeerdering der oef., zoo die noodig mocht zijn, is zoo gemakkelijk, dat ik slechts enkele voorbeelden gegeven heb.

Oef. 43. Hierin komen enkele woorden voor waarin de verlenging minder voor de hand ligt, als: zanderig, rijstebrij.

Oef. 44—48 en 52. De mondelinge behandeling mag niet ontbreken. Vlugheid in de toepassing is een eerste