is toegevoegd aan uw favorieten.

Grootkapitaal en kleinhandel

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Wij hebben — schrijft Hobson in zijn bekend werkje Problems of Poverty, 4th ed., 1899; bl. n/12 weinig grond om te gelooven dat de kleine winkeliers die aan de armen slijten, rijk sterven. Behoeftige lieden, deels uit noodzaak deels uit gewoonte, doen hunne inkoopen bij de kleinste hoeveelheden. Een enkel gezin is gebleken twee-en-zeventig keer thee te hebben gekocht in ^ weken, en de gemiddelde getallen van een aantal arme huishoudens gedurende denzelfden tijd bedroegen zeven-en-twintig. Kruidenierswaren koopen ze meestal per ons, vleesch of visch bij een heele of een halve stuiver, steenkool bij den emmer. Ongetwijfeld betalen ze voor die futjes een betrekkelijk veel hoogeren prijs dan hun meer gegoede buren voor een veel betere waar. Maar de kleine winkelier heeft een hooge huur, geen grooten omzet wegens de vele konkurrenten, het werk van zooveel geringe koopen is zwaar, hij is dikwijls zelf arm, en moet een hooge winst maken op een klein bedrag om staande te blijven; hij wacht soms zeer lang op zijn geld, want het krediet dat kleine winkeliers vaak geven aan geregelde klanten is verbazend.. ."

Dit, nu, is het terrein dat voorshands veilig blijft voor het grootkapitaal. De neringen van dezen aard blijven gespaard niet door hare kracht maar door haar zwakheid. Ze zijn te nietig om te worden teniet gedaan, het grootkapitaal versmaadt dezen onaanzienlijken buit. — De bazaar eischt kontante betaling '); de bazaar is niet

i) ,By giving credit judiciously they will be able to hold their own against the larger shops and stores which do business on a cash basis, and to which the man who trusts in the future