is toegevoegd aan uw favorieten.

Kapitaal en arbeid in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lokking der 4V2 °/o rente, gedurende twintig jaar gegarandeerd in een handel, die toen met verlies gedreven werd. Het toestroomen der verlekkerde kapitalen, het opvoeren daardoor van het aanvankelijk kapitaal van 24 op 37 millioen, maakte de Handelsmaatschappij tot den groothandelaar bij uitnemendheid, waartegen geen particulier initiatief opkomen kon. Nog daargelaten dat, ondanks de bepalingen die heetten haar van den staat geheel onafhankelijk te maken, de maatschappij reeds onmiddellijk door de regeering begunstigd werd, door toekenning van het recht op den alleen-verkoop van opium op Java.

De ineenstrengeling van koninklijk-finantieële met nationale handelsbelangen, bleek op den duur voordeeliger voor de eersten dan voor de tweeden. Dit uitvloeisel van de „union intime entre le peuple et son roi" *) heeft den koning geen windeieren gelegd, maar hat kapitalisme zeer benadeeld. De handels-maatschappij bedoelde bij de oprichting geen monopolie te zijn — zij moest het worden. Zij bedoelde geen invloed te hebben in het politiek bestuur — zij moest dien krijgen. Zij bedoelde den partikulieren handel op te beuren — zij hield hem tegen.

De Handelsmaatschappij was een anachronisme, dat in anderen vorm het monopolie der 17de en 18de eeuwsche compagnieën herstelde. Haar monopolie was, in overeenstemming met meer moderne toestanden niet wettelijk maar ekonomisch: zij beheerschte den handel, zij versloeg het individueele door haar gecombineerd kapitaal; zij maakte particuliere handelsondernemingen naar Indie, zonder ze te verbieden, onmogelijk.2) Zij monopoliseerde

1) Uit een rede van Willem I te Luik, aangehaald bij J. de Bosch Kemper, Geschiedenis voor '30; bl. 688.

2) De maatschappij heeft reeds terstond haar uitgestrekte armen over alle deelen des handels met haar vermogende veerkracht uitgebreid en de reuzenkracht waarmee dit geschiedt, versuft elk particulier, welk bezig, op een of ander punt een onderneming te overwegen, den post zoo nadrukkelijk ziet bezet dat het redeloos zou zijn daartegen op te streven." (Ouwerkerk de Vries, Verhandeling over den koophandel.