is toegevoegd aan uw favorieten.

Kapitaal en arbeid in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slap'' voor waren. Op 't eind der zestiger jaren werd op een bijeenkomst van industrieëlen gekonstateerd,

dat de meeste arbeiders „zelfs onbekwaam voor sjouwen

zijn'' ; slapheid van handen, matheid des lichaams, traagheid in 't arbeiden en een onverschilligheid, die alle vermogens ondermijnt, worden de karakteristieke trekken genoemd van den nederlandschen proletariër1).

Te zwak voor zwaar lichamelijk werk, waren zij natuurlijk even weinig geschikt voor allen arbeid, die oplettendheid en intelligentie eischte. Een rapport in '68 door de engelsche regeering uitgegeven over „Technical or industrial education" in verschillende landen, noemt de nederlandsche arbeiders „groote jeneverdrinkers, slecht gevoed, zwak van gestel, totaal onkundig en verwonderlijk onhandig in 't behandelen van alle gereedschap, waarmee zij van der jeugd af aan niet gewend waren". Verder worden zij genoemd „ongeveer de slechtst onderwezenen en opgeleidden van geheel westelijk Europa, traag en loom, als de waters die kruipen door hun polders."

Toen de beginnende kapitalistische ontwikkeling in de zestiger jaren behoefte kreeg aan een technisch intellekt en een geschoold proletariaat, ontbraken beide.

In het voorloopig verslag over den bouw der staatsspoorwegen (1860) wordt opgemerkt, dat, „werd het regeeringsplan zooals het was ontworpen ten uitvoer gebracht, een voldoend getal bekwame nederlandsche ingenieurs voor den bouw van spoorwegen niet te vinden zou zijn." ») Engelschen legden de eerste spoorwegen aan, bouwden en beheerden de gas-inrichtingen. De vreemde ingenieurs brachten hun eigen monteurs en opzichters mede ; Hollanders waren alleen te gebruiken voor 't grove werk.

Sedert vele jaren hadden duitsche werkbazen zich in de steden gevestigd; duitsche gezellen zochten en vonden overal werk. De beter betaalde arbeid in fabne-

1) Zijn wij praktische philantropen, bl. 28

2) Van Weideren Rengers, Parlementaire Geschiedenis, bl. 20d.