is toegevoegd aan uw favorieten.

Kapitaal en arbeid in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te blazen; de herziening der onderwijswet van 1806 biedt hun in '42 de mogelijkheid, den schoolstrijd te beginnen. De weigering der overheid in Den Haag en in de noordelijke provinciën tot het oprichten van bijzondere scholen brengt de anti-revolutionairen leiders in Den Haag en elders in beweging en bevestigt hun autoriteit.

Reeds voor '48 zijn de meest verziende anti-revolutionairen zich bewust geworden van de draagkracht en de beteekenis van hun leer als steunsel van den kapitalistischen klassen-staat, als dam tegen proletarische democratie en kommunisme. Groen van Prinsterer in zijn „Revolutie en Ongeloof" betoogt hoe het gezag om in stand te blijven, een goddelijken luister noodig heeft, hoe het hiervan ontdaan, niets anders is dan de heerschappij van den eenen mensch over den anderen en ieder ideologisch stutsel ontbeert. Met andere woorden: dat de kwestie van het gezag dan tot een naakte machtsvraag gereduceerd wordt'). En, zooals bij het gezag, zoo ook bij het eigendom: laat het bewustzijn van zijn „hoogeren oorsprong" vallen zegt Groen, en welk stutsel blijft over in de idee? in de werkelijkheid alweer niets dan geweld. Zoo kruist lange jaren eer de arbeidersbeweging in ons land wordt geboren, haar schaduw dreigend het anti-revolutionaire pad.

Maar kon een fijne en heldere geest als Groen het gevaar voorzien en de bestrijding uitwerken nog eer het bestond, de menigte noemt verre gevaren imaginair. Niet de bestrijding der ten onzent afwezige arbeidersbeweging was in de veertiger jaren en nog langen tijd daarna het doel der anti-revolutionairen, maar de bestrijding van het liberalisme. Van zijn wereldbeschouwing, zoolang de bourgeoisie de staatsmacht nog niet

1) „Neemt God weg; en de stelling wordt onbetwistbaar dat de menschen in revolutionairen zin gelijk zijn". Revolutie en Ongeloof, bl. 203.