is toegevoegd aan uw favorieten.

Barthold Meryan

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dacht hij geërgerd. Johan deed immers altijd dingen, die verboden waren en hem erge straffen op den hals zouden hebben gehaald. Klikken was goed voor meisjes. Baby klikte altijd, daar was zij dol op. Vader verbood het haar, maar moeder nooit, zeker omdat moeder zelve een vrouw was en als kind ook veel geklikt had.

Toen het lichtschijnsel onder de deurreet, dat zijn gedachten een oogenblik had afgeleid, hem niet langer bezighield, keerde hij tot zijn vorige gewetenskwellingen terug.

Want dat moordzuchtige, dat ten aanzien van Johan in hem opkwam, had meer dan eens zijn geweten gepijnigd. Een paar jaar geleden — hij herinnerde het zich als ware het gisteren gebeurd — had hij zijn broeder met een mes nageloopen en hem zóó aan de pols gewond dat hij bloedde, omdat Johan een van zijn liefste konijntjes gesard en geschopt had. Toen was hij heel erg gestraft: twee dagen en twee nachten op zolder, op water en brood, en met een stroomatras om op te liggen, geheel als een echte gevangene. Nu was die straf op zichzelve eigenlijk minder geweest. Maar hij had zijn vader, toen de wandaad hem werd medegedeeld en hij Johan's bloedende pols zag, wit zien worden als krijt, en zijn gezicht zoo zien veranderen, dat hij toen pas begrepen had welk een verschrikkelijk kwaad hij had bedreven. De zware straf daarna was hem eerder een verlichting geweest, want nu behoefde hij zijn vader dien tijd niet onder de oogen te komen, en het op water en brood gesteld zijn, dat had hij graag over voor zijn trouw konijntje, dat hem vertrouwde en als een hondje naliep, en dat hij naar zijn overtuiging verplicht was te beschermen als het mishandeld werd.

Het meest had hij in die twee dagen tegen het „weer beneden komen" opgezien. Zijn vader was hem zelf komen halen, wel nog heel strak, maar overigens er uitziende alsof er niets gebeurd was.

„Je hebt je straf ondergaan, Barthold, en van nu af is alles vergeven. Ik vraag je niet mij te beloven zoo iets nooit meer te zullen doen. Niet waar, dat is niet noodig ?"

Zijn vader had hem bij die woorden de hand gegeven, en hij had gezegd: „Neen, vader." Daarop was hij mee naar beneden gegaan, en moeder had met tranen in de oogen hem gekust en daarna Baby; en Johan had hem zijn verbonden hand toegereikt. Maar toen had hij een gevoel gekregen als zou hij stikken, was weer teruggevlogen naar den zolder en had daar languit op den grond liggen huilen, uren lang. En wat had hij toen een hoofdpijn gekregen! Een hoofdpijn zóó erg, dat de dokter moest worden gehaald. Deze had hem iets gegeven dat heerlijk smaakte en waarvan