is toegevoegd aan uw favorieten.

Barthold Meryan

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna nu zij een geheel nieuw plan de campagne voor zich had, ging zij naar beneden, lieftalliger dan ooit, aan het ontbijt met een vriendelijk onverschilligen glimlach luisterend naar de mededeeling, dat Johan met den eersten trein was vertrokken, en den heer des huizes, die minstens een dag „hoofdpijn" verwacht had, zoo geheel van de wijs brengend, dat hij zich ging afvragen, hoe ter wereld hij, met zijn kalme nuchterheid, er toch toe gekomen was spoken te zien op klaarlichten dag.

Weken en maanden verliepen. }ohan promoveerde in Juni. Een schitterend promotie-feest had plaats, bij gelegenheid waarvan zijn verloving met Alida Molten • eene verloving die de geheele cöterie der Meryans eigenlijk sedert lang verwacht had ■—■ publiek werd gemaakt. En zoo naderde ook de tijd, waarop de familie gewoonlijk haar buitengoed „Rustoord", dicht bij Haarlem, ging betrekken.

Nu achtte Carla het oogenblik gekomen, om aan haar plannen een begin van uitvoering te geven. Wat haar sedert April de kracht schonk haar zware rol te spelen met een volmaaktheid die allen, zelfs Johan, op een dwaalspoor bracht, was de haat die in haar gloeide «—' een haat zoo fel, dat al haar vroegere verlangens en sensaties er als door verteerd werden. Of zij Johan ooit had liefgehad, wist zij niet meer. Voor het oogenblik was zij zich slechts bewust dat zij hem had kunnen martelen met folterwerktuigen op de pijnbank, en misvormen met eigen hand dat valsche mooie gezicht, met den valsch-caressanten blik en de glimlachende lippen, die nu zoo teeder fluisterden tegen zijn verloofde — ja,

erger nog het waagden op een volgens haar schaamtelooze

wijze Alida tot zelfs te liefkoozen in haar bijzijn.

Het was vooral hiertegen dat zij — met hare FranschBelgische opvoeding — zich revolteerde met geheel haar wezen, zich in den aanvang zelfs verbeeldend, dat hij zich opzettelijk zoo onkiesch gedroeg, en eerst langzamerhand tot de ontdekking komend, dat zoo iets niet alleen getolereerd werd, maar zelfs tot de zeden van het land behoorde.

Zij haatte hem met zoo doodelijken haat, dat het absorbeerde al haar andere aandoeningen. Smart, angst voor de toekomst dit alles voelde zij nauwelijks meer in dien eersten haatwellust, die haar dronken maakte als die verdoovende giften welke aanvankelijk tot een roes opwinden.

Bidden deed zij nooit meer. In zake geloof en godsdienst heerschte een groote verwarring in haar geest. Door een bekrompen katholieke moeder opgevoed, geloofde zij aan helsche zoowel als aan hemelsche machten; en nu de heme.sche