is toegevoegd aan uw favorieten.

Barthold Meryan

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk zooals zij altijd sliep, vast en rustig, zelfs

nadat zij een harer scènes gemaakt had rustig, onberoerd

door al datgene wat hem reeds op reis uren lang wakker had gehouden.

Hun slaapvertrek grensde aan zijn kamer. Voor de communicatiedeur hingen zware portières. Hij trok ze terzijde, en zag dat de deur, in plaats van gesloten te zijn, op een kier stond, hetgeen aan de andere zijde, eveneens door portières gemaskeerd, mede onzichtbaar was gebleven.

Hij luisterde. Alles was doodstil. Hij duwde de deur open, trok ook de andere portière weg, stak zijn hoofd naar binnen en zag haar bij het schijnsel van het nachtlicht in diepen slaap. Hij kon zelfs haar geregelde ademhaling hooren. Nog verder de deur openstootend, gehoorzamend aan een impulsie die hij niet zocht te verklaren, trad hij binnen, en met zachte schreden, gedempt nog door het dikke tapijt, naderde hij het ledikant.

Daar lag zij, volmaakt rustig, sc'nooner dan ooit, met het roodgouden haar in losse vlechten golvend over het kussen, in een bekoorlijke wanorde van kanten en plooisels en borduursels, wier crème witheid het fijne blosje van den slaap accentueerde,

En hij stond stil en zag naar haar, zag naar de bevallige lijnen van den half ontblooten arm, waarop haar hoofd rustte, naar de lange oogenfranje, die een schaduw wierp op de zachte ronding der wangen. Vaak had hij haar aldus inden slaap bespied, na een van die dagen waarin hij haar op zoo verren afstand van zich voelde, waarin zij hem soms voorkwam te zijn een vreemde schim, koud en gevoelloos, waarnaar hij vol ziele-heimwee de armen had kunnen uitstrekken, haar smeekend niet zoo onbegrijpelijk, zoo raadselachtig te zijn. En altijd weder was hij verteederd geworden bij het zien van die liefelijke rust, verteederd als bij het beschouwen van een mooi slapend kind, dat erg stout is geweest maar niet verantwoordelijk kan worden geacht.

Maar nu, nu hem voor de eerste maal over haar eigenlijk wezen de oogen waren opengegaan, nu zag hij haar anders dan voorheen. Nu was zij voor hem niet langer het zwakke ontoerekenbare kind, maar de gevaarlijke onreine vrouw, die, kennend haar macht, vergif weet te druppelen in de aderen van den man die haar liefheeft, die weet zijn verstand te benevelen tot op de grenzen van den waanzin — de vrouw die beurtelings aantrekt en afstoot, die prikkelt en vertrapt, die telkens nieuwe gedaanten aanneemt om zijn geest en intellect in boeien te slaan en er mede te spelen als met een kostbaar speelgoed.