is toegevoegd aan uw favorieten.

Barthold Meryan

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de oogen. „Arm, best, trouw, goed moedertje !" herhaalde hij nog eens.

En zij, niets begrijpend van die ontstuimige teederheid die zoo vreemd in hem was en haar verontrustte:

„Als ik je nu maar geen kwaad heb gedaan !..."

„Neen, u heeft me geen kwaad gedaan. En nu zou ik zoo graag wat alleen zijn, mag ik ? Ik geloof dat ik wat zal kunnen slapen. En u weet, als er iemand in de kamer is, gaat dat nooit."

„O! als je slapen wil, ga ik hiernaast, dat is best. Dag mijn jongen 1

En na nog een laatsten kus ging zij naar het aangrenzend vertrek, en hij lag doodstil, slapende zooals zij dacht; maar zijn oogen bleven wijd geopend en hij staarde afgetrokken naar de voorwerpen die hem omringden zonder ze te zien, geheel opgaande in zijn denken en droomen over haar, over Anna!

Den volgenden morgen constateerde de dokter bij zijn patiënt, die een zeer onrustigen nacht had gehad, een sterke verheffing van temperatuur.

„Is er iets bijzonders voorgevallen, Mevrouw ? Kan hij misschien de een of andere emotie hebben gehad?" vroeg de medicus op ontevreden toon, met Barthold's pols in de eene en zijn horloge in de andere hand.

„Ik geloof het niet, dokter... maar wij hebben gisteren misschien wat druk gepraat."

„U ziet mijn moeder aan, dokter, alsof u haar van mijn koorts de schuld zoudt willen geven!' zeide Barthold met een glimlach. „Er is niets gebeurd .... ik voel me juist veel prettiger van morgen."

De dokter schudde het hoofd en zag van moeder naar zoon, tegen zichzelf zeggend dat er blijkbaar iets niet in den haak was, maar hij het rechte toch niet zou te weten komen.

„Enfin.... gij moet het zelf weten. Maar denk er aan: niet veel praten, geen opwinding. Rust, strikte rust en gemoedskalmte ; anders kan er zeer goed een instorting plaats hebben!

„Wij beloven gehoorzaamheid, dokter, stipte gehoorzaamheid; niet waar, moeder?"

Veertien dagen later was hij genoeg aangesterkt om de reis naar Wiesbaden te ondernemen. Maar nu verklaarde hij zijn moeder pertinent niet te zullen vertrekken alvorens Anna bij hem was geweest.

„Ik zal het mevrouw vragen waar u bij is!' zeide hij, voordat Johanna iets had kunnen tegenwerpen, „en beiden kunt u van ons gesprek getuigen zijn, dus van ongepastheid