is toegevoegd aan uw favorieten.

Verbrijzeld en toch overwinnaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn ziel bij God in genade is aangenomen, om Christus wil. Maar wat voor zoon zou ik nu zijn, en ik ben zijn zoon, indien ik kon hooren lasteren, den man die zijn ziel heeft behouden?"

Voor de eerste maal raakte von Chlum zijn hand aan.

„Waarom zijt gij nu tot mij gekomen?"

„Omdat, heer ridder, de monniken mij "zeiden dat gij zijn vriend waart en bijna zoo slecht als hij — met uw verlof. De Prior zeide, dat het Concilie goed zou gedaan hebben met u ook te verbranden."

Yon Chlum gevoelde een trilling van blijdschap door zijn hart gaan: „ik was dat niet waardig,"' zeide hij.

„Heer ridder, wilt gij mij mede nemen?" pleitte de knaap en zijn vurige oogen kregen een zachte uitdrukking, terwijl hij smeekend de handen vouwde. „Ik zal u zóó getrouw dienen! En o, als gij ooit ten strijde trekt om hem te wreken — geef mij dan een zwaard."

„Ik zal nooit ten strijde gaan om hem te wreken, maar, mijn arme jongen, ik kan u niet wegzenden, hoewel ik nog niet goed weet, wat met u te doen. Ga naar mijn woning," — hij wees naar Wenzel's huis — „mijn onderhoorigen zullen tot ik terug ben voor u zorgen. Zeg maar aan Clodek dat ik u zend."

Zwijgend reed von Chlum nu verder, vergezeld door Hubert en op hun terugrit zeide hij: „Wij moeten naar het huis van baron Leffle, ik moet hem over dit geval spreken. Hij kan het kwalijk nemen als ik zijn zoon in dienst neem met dezen jongen Ostrodek. Indien dit het geval is, dan moet ik Lucas opgeven, hoewel het mij spijten zou."