Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ze waren „ geheeld met gestikt loofwerk en geboord met een klein, net kantje van goud of zilver."

In zijn Spaanschen Brabander zegt Bredero:

,,'t Hantwerpen gheen zoo slecht, die haar vrouwen niet koopen Borsten van goud en zijd', gecierd inet gouwe knoopen."

Een vrouwenkledingstuk uit die dagen, dat ook Tesselschade wel gedragen zal hebben, dient hier besproken te worden, 't Is de huik, die nog in enkele spreekwoorden voorleeft: de huik naar den wind hangen; onder de huik trouwen; met een huik te kerk gaan; onder de huik schuilen de vodden.

Deze huik dan was een lange vrouwenmantel, meest van lichte stof, doch soms ook van laken. Men sloeg de huik om wanneer men een haastig bezoek moest afleggen, ter kerk of ter markt ging, of zich tegen regen en koude wilde beschutten. De huik werd aan een plat opperlioedje of kapje vastgemaakt, zóó dat ze boven op het hoofd sloot. Boven op het hoedje was een pluim of knopje, waarmede men de huik op- en afzette, of ze naaiverschillende kanten verschoof, om tegen wind- en regenvlagen beveiligd te zijn. In ruime plooien daalde de huik tot over den bouwen, zoodat de armen vrij konden bewogen worden, zelfs kon men er gemakkelijk den gebruikelijken marktemmer onder verbergen.

De dienstmaagd draagt geen vlieger, maar een jakje, dat met zijn slippen rust op een ronden hoepelrok, die met andere minder zedige modes uit Brabant was overgebracht. Huygens noemt zoo'n rok:

„Een omgehoepte pack, trots eenig keernen vat."

Om het middel bond men een opgevulden linnen beuling,

Sluiten