Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Luitenant-Admiraal bezat een uitgebreid gezag, doch in belangrijke zaken was hij verplicht de hoofdofficieren, in sommige gevallen zelfs al de scheepsbevelhebbers in krijgs- of breedenraad te roepen, om met hen in overleg te treden of hen de bevelen mede te deelen. welke hij van de Staten-Generaal of van den AdmiraalGeneraal had ontvangen.

Strenge krijgstucht heerschte er op de Nederlandsclie vloot. Op elk schip was een provoost of geweldiger, die belast was de misdadigers en overtreders der krijgswetten in hechtenis te nemen en te bewaren, terwijl bij het uitloopen van een vloot of een smaldeel een beambte werd aangesteld met den titel van Advocaat-Fiscaal, die den post van openbaar aanklager bij den krijgsraad vervulde.

Was men streng in het handhaven der tucht, aan den anderen kant wendde men alles aan om door toezegging van belooningen. door uitreiking van onderscheidingsteekenen — gouden en zilveren ketens, eerepenningen, bekers en schalen — door het verzorgen der nagelaten betrekkingen van gesneuvelde zeelieden en door het oprichten van gedenkteekenen en praalgraven, den moed en de dapperheid der officieren en minderen aan te vuren en hen door de zucht naar een onsterfelijken naam tot groote daden op te wekken.

Omstreeks het jaar 1(539 telde onze vloot ruim honderd schepen, doch slechts een derde gedeelte daarvan was geschikt om tegen een vloot als die der Spanjaarden te strijden. Een gedeelte diende om Duinkerken en de Vlaamsche kusten te bewaken. een ander gedeelte deed dienst als kruisers en convooiers, terwijl de allerkleinste

Sluiten