Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misnoegen. Ze benoemden een commissie met Jan de Witt aan het hoofd, om de beschuldigingen, over en weer door de beide Admiralen ingebracht, te onderzoeken. Die commissie, aan haar last voldaan hebbende, liet de vraag, wie gelijk had, in het midden, doch gat' te kennen, dat het algemeen belang noodwendig het ontslag óf van Tromp óf van De Ruyter eischte, daar de zaken ter zee nooit goed zouden gaan, zoolang er twist en tweedracht tusschen de beide Vlootvoogden bestond.

Dat men De Ruyter behield en Tromp liet gaan, is te begrijpen.

Aan Stadhouder Willem III nu was het gegeven, deze beide mannen ten dienste van het vaderland weer samen te brengen.

Van de wijze waarop hij dat deed, vermeldt de geschiedenis zoo goed als niets. Alleen weet men, dat de Prins met ieder afzonderlijk een onderhoud had en dat Tromp niet dadelijk te bewegen was het opperbevel van De Ruyter te erkennen. Bij geheime akte werd Tromp toegezegd, dat hij bij het overlijden van De Ruyter met het oppergezag over 's lands vloot bekleed zou worden.

In de leesles wordt op enkele gebeurtenissen gezinspeeld, die misschien niet alle den onderwijzer bekend zijn en daarom een kleine toelichting eischen.

1°. De Ruyter zegt: „Een derde — en zie, dat maakte mij het bloed aan 't koken — vroeg mij met een medelijdend schouderophalen, waar mijn verstand en voorzichtigheid geweest waren, toen ik uit de vloot een brief ter verschooning van Cornelis de Witt schreef:

Omtrent den Ruwaard van Putten, Cornelis de Witt, die in den Haag gevangen was gezet, liepen allerlei

Sluiten