Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een heuvel. Ik zie het nog voor mij. Onder ons lag het dorpje met zijn spitsen kerktoren en rond de kerk lagen de huisjes: net kinderen rond hun moeder. En de zon daalde en haar licht scheen hier en daar de heuvels en bergen als te overstroomen met een zee van goud en zij scheen op al die kinderkopjes rond mij, die met groote oogen naar mij luisterden. Ik had ze verteld van feeën, die wenschen verhoorden, van het schoone wonderland, waarin alles zoo anders gebeurt dan op de aarde soms.

„Toen hield ik op. Boven onze hoofden scheerden de zwaluwen door de lucht. In de verte stegen er dampen uit het dal.

„Fantasio," zei toen een meisje met een ouwelijk gezichtje, „het is heel prettig om naar verhalen te luisteren, waarin van toovergodinnen gesproken wordt. Hè, ik wou dat er zoo'n goede fee bij ons kwam."

„Hè ja," riepen de anderen.

„Als ze ook eens wat voor ons deed," zei er een, die met peinzende oogen in de verte keek.

„Zoo," vroeg ik, „wat zou je vragen?"

„Dat ik eiken Zondag boter op mijn brood kreeg."

Sluiten