Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Was u ver in het bosch," vroeg Peter.

„Och, ik heb zoo hier en daar gewandeld: aan de zee, in het bosch, heb wat geklommen en een klein ventje gezien, een nikkertje, dat bramen zocht. Het kereltje zag er niet heel gelukkig uit, het zwarte baasje."

„Wij hebben hem ook al eens ontmoet," zei de gravin, „als we wandelden, of reden. Doodstil blijft hij dan staan en kijkt naar ons met open mond. Ik heb laten vragen wie hij eigenlijk is. Het schijnt dat hij een jaar geleden uit Indië is gekomen. Hij moet een neefje zijn van den smid uit het dorp. Het rechte van de geschiedenis weet ik niet, maar hij schijnt het heel eenzaam te hebben, het arme, donkere kereltje. Men ziet hem bijna nooit met andere kinderen."

„En hebt u al Thomas en zijn zusje gezien?" vroeg Peter. „Zij zijn de kinderen van den molenaar bij het begin van den dorpsweg."

„Hoe moet ik nu al iedereen bij den naam kennen! Ik heb pas één wandeling gemaakt."

„Ze zijn erg grappig," ging Peter door. „Ze hebben alle twee rood haar en zij houden elkander altijd stijf bij de hand vast, als we voorbij komen. Dan zegt

Sluiten