Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, ik," lachte Fantasio, „zoo'n oude dichter als ik wenscht niets meer voor zichzelf."

Toen zwegen weer beiden en staarden naar de zee. Plotseling echter stak Peter zijn arm door dien van den dichter en zei: „Fantasio, ik heb al lang wat willen vragen. U is altijd zoo alleen. Hebt u geen familie ?"

„Neen, mijn jongen. Mijn vrouw is gestorven, lang, lang geleden. En ook mijn beide zoontjes."

„Dan zal ik nog meer van u gaan houden," zei het prinsje. „Want ik heb geen vader en geen moeder, geen broers en geen zusters."

„Nog meer van me houden," zei de dichter. „Maar wat staan we hier met treurige gedachten! Kom, Peter. Kijk daar boven in het kasteel de lampen op het terras vroolijk branden. De gravin wacht ons. En we gaan het al gezelliger en vroolijker maken."

Langs de zwijgende boomen, die zoo rustig stonden te slapen in den zomeravond, gingen nu Fantasio en Peter den bekenden weg naar boven.

„Was het mooi?" vroeg de gravin.

„Mooi, heel mooi," antwoordde Fantasio. „En zoo

Sluiten