Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Zij is een van de kinderen uit de kolonie," vertelde de zuster. „Zij is nog wat heel zwak en daarom ligt zij hier stil, terwijl de anderen spelen."

„Zij zijn een eind hier vandaan," zei het meisje in de hangmat. „Hoort u wel?"

En werkelijk klonk van uit de verte een geroezemoes van stemmen, van lachen, van zingen, net een troep vogels.

„Hier is het vreeselijk mooi," ging het kind door, alsof zij Fantasio al lang kende: hij keek ook naar haar met zijn lachende oogen. „Telkens doe ik mijn oogen toe en als ik ze weer open, dan zie ik al de bloemen en de boomen. Weet u, ik ben hier al een week en het is zoo prachtig, niet zuster?"

„Ja, ja," knikte de verpleegster.

„Als ze me thuis eens konden zien," zei het meisje. „Maar dat kan niet!"

„Waarom niet?" vroeg Peter.

„Het is zoo vreeselijk duur. Wij wonen in de stad, in de Bleekersteeg. Kent u die?"

„Nee," zei Peter. „Ik was er nog nooit. Ik ben ook heel lang ziek geweest."

Sluiten