Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Vind je het dan naar om terug te gaan ?" vroeg Peter.

„Dat is ook een vraag," zei het zwakke Sofletje. „Daar zijn toch me vader en moeder, en me grootje, en me broertjes en zusjes! Ik kon het eerst niet wennen, hè zuster? Maar ik wou dat ze het ook eens konden zien. Grootje heeft nog nooit in een trein gezeten. En me moeder heeft vroeger bij rijke menschen gediend in een park. Ik zou wel eens willen, dat ze kwam om te kijken of het hier nog mooier is. Hè zuster, als ze me hier eens konden zien!"

„Hoe heet je?" vroeg Peter opeens.

„Sofletje Willems."

„En waar woon je?"

„In de Bleekersteeg 65, twee hoog, voor."

„Hè," vroeg Peter nog eens.

„In de Bleekersteeg 65, twee hoog, voor," herhaalde Sofletje.. „En u," vroeg zij Peter, „u lijkt me een rijke jongen. U woont zeker wel in een huis met fluweelen gordijnen voor de ramen."

„Ja," zei Peter. „Willen we verder gaan," zei het prinsje plotseling en hij stak zijn arm door dien van den dichter.

Sluiten