Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Weet u wat ik ook wel eens gedroomd heb op de plek, waar heel jonge boompjes staan tusschen de groote in? Er kwam eens een fee en die nam de boompjes weg, want ze kregen geen zon genoeg en zij zette ze boven op de bergen, zoodat het licht 's morgens het eerst naar hen toeging.

„En kijk u die plaat daar j zoo ziet de zee er uit, als zij donker is, en het niet stormt, en de sterren schijnen. Dan is het net of er een donkere, heel donkere vrouw uit opstijgt met zachte oogen net als mijn moeder, die dood is. En die zingt zachte liedjes en dan zie je de palmen en een hemel, die diep blauw is.

„Daar moest ik allemaal aan denken bij dat prachtige boek. Ik weet zelf niet wat ik het allermooiste vond om over te schrijven."

„Zou je het mee willen nemen?"

„Ja, maar dan moet mijn oom het niet zien." En het gezicht van den jongen betrok.

„Neem het maar mee, Tommy. Ik kom wel eens naar je oom toe!"

„Hoe lang blijft u hier nog?" vroeg het kind. „Nog wel een poosje."

Prins Peter. .

Sluiten