Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die gaan geen mooie wandeling maken. We steken nu maar eens de vlag uit, omdat onze Sofietje zooveel beter wordt. Wat zal dat vandaag een mooie dag worden!" En de zuster lachte zoo genoeglijk en kneep zoo zacht in Sofietje's wangen, die er rond en rood begonnen uit te zien, dat het meisje ook maar lachte als het zonnetje buiten, als de vogels, en de bloemen, welke fleuriger dan ooit haar kopjes omhoog beurden in het licht.

Toen maakte de zuster Sofietje's jurk vast.

„Kijk, zuster," babbelde toen Sofietje, „aan die biesjes heeft grootje geholpen, want moeder was bang niet klaar te komen. En die strikjes zijn van lint, dat moeder vroeger droeg. Hé, zuster, nou moesten moeder en Grootje me eens kunnen zien! Want, ziet u, thuis heb ik hem nog nooit aangehad. En hij is vreeselijk mooi, hè zuster? Ik zal er maar heel zuinig op wezen. Moeder en Grootje hebben er zoo aan genaaid, hè zuster? Ik wou, dat ze me eens zien konden."

„Ja, ja," lachte de zuster weer heel genoegelijk. „Ze moesten je eens kunnen zien. Wat zouden ze

Sluiten