Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dan maar in de ridderzaal, totdat de bui voorbij is," regelde de gravin.

Nu trok de heele stoet naar de zaal, van waar men heel ver over den omtrek zien kon. Een felle lichtstraal trok zijn kronkelenden weg door de zwarte wolken, die laag op de zee hingen. Toen deed een windvlaag de boomen zwiepen en het zeewater hoog golven en schuimen. Weer een dreunende, ratelende donderslag.

„0, o, wat ben ik bang," begon Adelaïde te huilen, „ik wou naar huis," en zij greep de hand van haar zusje, dat heel bleek in een hoek zat.

„Wat een laffe flauwerd," zei Harmen. „Kijk ze nou grienen."

Maar heel stil waren ook de andere kinderen bij elkaar gekropen. Ze lachten en ze zongen nu niet meer. Het ratelde en donderde ook met dreunend geweld: de storm loeide en de felle lichtstralen waren niet van den hemel af.

„Bang, bang," zei Fantasio met zijn rustigste stem en zijn prettigste oogen. „Wie is er nu bang? Onze prins Peter? Nee, hè, Peter? Een prins is nooit bang!"

Sluiten