Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En die twee nuffen zijn nog altijd van die uitgerekte bloemstengels, maar ze zijn niet meer zoo spichtig als vroeger. Ze groeten ten minste fatsoenlijk en ze kijken niet meer zoo vies, als Kees en ik ze tegen komen.

„Het is dus wel heel stil hier. Maar wat kan je daar aan doen? Ik houd niets van zeuren en wacht dus maar, tot het zomer is en u en prins Peter weer op het kasteel komen. Als u den prins en den koning ziet, doet u ze dan de complementen, ook van moeder. Het mensch is nog altijd zoo blij, dat ik in het park werk. En verdiend had ik het niet, dat was zeker. Maar waarom er over te zeuren ? Ik heb toch niets gemeens meer uitgehaald.

„De briefkaart, die u verleden zond, hebben wij netjes tegen den muur gehangen, naast uw portret, en het mes, dat u me gaf, glimt echt. Dat geef ik aan niemand. Ik heb verleden Kees een draai om zijn ooren gegeven, omdat hij er met zijn vuile vingers aan zat. Daar is het te mooi en te duur voor en ik zou het om den dood niet graag verliezen.

„Ze zenden allemaal hun groeten. Dag, mijnheer

Sluiten