Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hii keek even naar de lichten van het Fransche Schip en zwom er toen heen, telkens duikend, als het licht der barkassen den omtrek in dag herschiep.

I)e nacht was donker en winderig en het was omstreeks tien uur toen zij zich in zee bevonden. Witsen poogde, toen hij eenmaal buiten den dooide stoom barkassen gecontroleerde kring was, te ontdekken of hij ook iets van zijne vrienden zag, maar dat was een vergeefsche moeite. Men zwemmend mensch op zee is zóó klein, dat men er al dicht bij moet zijn om hem te zien en, zooals wij zeiden, de nacht was donker en de zee vrij lioog.

Naar zijne gissing had Witsen een kwartier gezwommen toen hij voor zicli iets donkers bespeurde, dat hij voor een zwemmer herkende. Hij riep hem aan en bemerkte dat liet 1'rinsloo was.

— Waar zijn de anderen? vroeg hij.

— Hier, dicht bij, zeide 1'rinsloo.

Kn hij riep de namen van ('oetzee, Maveren Dubois.

Keu driemaal klinkend langgerekt geschreeuw beantwoordde zijn roepen.

— Laten wij een beetje bij elkaar blijven jongens, riep 1'rinsloo, met zijn zware commando-stem.

— In orde! klonk het terug.

Hij en Witsen waren het dichtst bij elkaar.

— Vindt je wel dat we erg opschieten? vroeg Witsen na nog een poosje te hebben gezwommen.

— Neen , zei 1'rinsloo, ik begrijp er niets van, het is net alsof wij niet vorderen, die lichten worden maar geen zier grooter en eigenlijk zou ik zeggen kleiner.

Sluiten