Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op een oogenblik kreeg Prinsloo iets van de lichte kleur der zijden te zien en dat was voor hem genoeg. Hij drukte at en de tijger viel, na een vervaarlijke sprong te hebben gedaan, neer.

Allen snelden toe en vonden hem stuiptrekkend op den grond uitgestrekt.

Eén der Totahs stak hem met zijn speer door het hart om het einde te bespoedigen.

Nu, zei Prinsloo, die kunt ge ook meenemen.

De Totahs waren uitgelaten van vreugde. Zij wierpen zich voor Prinsloo en zijne makkers op den grond en betuigden op alle manieren hun dank.

— Hoeveel hebt gij nu verdiend? vroeg Prinsloo.

— Drie ropijen voor een mannetje, Sahib en vier voor een wijfje, zei er een.

Hij na tien gulden, zei Witsen, want een ropij is gelijk f 1.25, nog niet veel voor twee tijgers.

Neen, maar het schijnt voor deze lieden toch nog een heele som te zijn.

Op een ongestoorde nachtrust schijnen wij hier niet te moeten rekenen, zei \\ itsen toen zij naar de hut terugkeerden.

Dubois sliep en Amoedoe waakte. Coetzee nam de wacht over en Prinsloo wikkelde zich evenals Witsen weer in zijn deken en sliep weldra in. De eerste nacht was bijna om.

Sluiten