Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Anioedoe, hoe weet je dat de Totah-Veddah's ons volgen.

V\ el, sahih, zei de visscher, ik hoorde van middag, toen wij ons maal gebruikt hadden en een |mosje rustten, opeens een geluid als het kort afgebroken gekef van een jakhals en daar het dag was, begreep ik dat er geen jakhalzen rondzwierden en dit geluid dus eene beteekenis moest hebben. Toen ik er op afging, zag ik dai de \eddah's daar waren, achter ons. Ken van hen had een groote slang gedood en riep de twee anderen nu tot zich, door het nabootsen van het geket van den jakhals. Ik sprak ze aan en zij vroegen mij terstond, die gulzigaards, of de sahibs naar de bosschen gingen om te jagen. Zij zijn belust geworden op tijgerhuiden , 0111 de premiën, begrijpt u?

Maar, zei V\ itsen , dit brengt mij op een idee. Als wij van die Iotah-\eddah s eens bondgenooten zochten te maken?

— Drommels, geen kwaad denkbeeld, zei Dubois.

Voornamelijk zou het er mij om te doen zijn,

dat die luitjes ons waarschuwden voor mogelijke ontmoetingen met reizende of jagende Kngelschcn; want dan zou alles uitkomen. Zij weten, door hunne levenswijs, natuurlijk alles wat er in de wildernis \ooi valt, en het is voor ons van onschatbare waarde niet te worden ontdekt.

— Dat is zoo; indien wij lui hadden, die voor ons het terrein verkenden en ons alles mededeelden, dat zou heel wat waard zijn, zei Dubois.

Sluiten