Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zoo heeft dan toch Jacob Haaffner niet gelogen; alles is precies uitgekomen: het begroeide kanaal, de kleine bergstroom, die in een diep dal stroomt, de kist tussehen de rotsblokken, alles, alles!

— Ja, zeide Prinsloo en ik ben blijde, dat wij den schat hebben gevonden, want dat ding zou ons altijd vervolgd hebben.

— Weet je nog wel, dat je gezegd hebt zooiets moet men bij toeval vinden, vroeg Dubois.

— Ja, zei Prinsloo en ge ziet dat het uitgekomen is, als jelui geen kreeften hadden gezocht, hadden wij den schat nooit gevonden.

— Dat is zoo.

— En na, zei Coetzee, stel ik voor, dat wij den boel deelen. Wij zijn de kust tot op een dagreis genaderd en niemand weet wat er nog kan gebeuren. Daarom vind ik 't het best dat ieder zijn eigen porties draagt. Geraken wij van elkaar, dan bezit ieder wat.

— Ik vind het goed, zei Witsen.

— Hoeveel zakjes zijn er? vroeg Prinsloo.

— Veertien, zei Witsen, zeven met paarleu en zeven met diamanten.

— Nu, dan is de verdeeling gauw genoeg geschied, zei Prinsloo. Wij nemen natuurlijk aan, dat elk zakje eender is, dus daar we met ons zevenen zijn, is dat voor den man twee zakjes. Laten wij ieder één zakje met diamanten en één met paarlen nemen.

— Met uw zevenen? vroeg Nalla verwonderd, gij bedoelt met uw vijven.

Sluiten