Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een groot aantal stippen in het maanlicht schitteren, dat was de vloot van visschersvlotten niet hunne fakkels.

— Waar is je vader? vroeg Witsen aan Anrioedoe.

— Daar, heer, ziet ge die donkere plek; hij heeft zijn fakkel gedoofd en drijft langzaam en onopgemerkt naar het strand, ziet ge hem?

— Ik zie hem, zei I'rinsloo.

— Ja, ik ook, zei ('oetzee.

De anderen kregen hem nu ook in het oog.

— Wat zullen wij doen? vroeg Witsen.

I'rinsloo dacht over den toestand na.

— Er zit niet anders op dan óf van een donker oogenblik gebruik te maken, om recht op zee af te gaan en zwemmend het vlot te bereiken, óf ineens in stormjacht er op los te gaan, die drie soldaten neer te slaan en in zee te springen.

— Beide zeer bedenkelijke plannen, zei (oetzee, als wij de kerels neerslaan, kan dat niet zoo stil gebeuren of de anderen zien het, en al bereiken wij de zee vóór zij te hulp zijn gekomen, dan staan wij toch bloot aan hunne kogels.

— De rooineks schieten slecht, zei Dubois.

— Ja, dat is waar.

— Konden wij een schijn vertoon ing ntaken, mompelde Witsen, dat zou helpen.

— Wacht eens, zei Xalla, ik weet wat.

Allen keken hein vol verwachting aan.

— Ik ga met Ramassv stil terug en vertoon mij op een afstand, dan zullen zij allen daarheen ko-

Sluiten