Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een hevigen slag en rolden zij over elkander in het zand. Twee bleven bewusteloos liggen, de derde zette het schreeuwend op een loopen.

Opeens was alles in rep en roer.

I)e patrouilles schoten toe; van de hoofdwacht werden mannen afgezonden, die in versnelden pas naderden; alarmschoten weerklonken en signalen, maar onze avonturiers liepen door als gejaagde herten. Daar was de zee, het vlot met Ali, die zich repte wat hij kon.

Toen de wolk voorbij was, zagen de soldaten vluchtende gedaanten bij de zee en kregen hunne tegenwoordigheid van geest terug. Zij schoten , snelden een eind vooruit en schoten weer met zenuwachtige haast en .... misten.

— Vooruit, vooruit, klonk Prinsloo's stem en zij liepen in zee, toen zwommen zij en klauterden op het vlot.

Het schieten hield niet op.

— Zijn we er allen? vroeg Prinsloo, Witsen, ('oetzee, Dubois, Nalla, Amoedoe, Kamnssy. Hij lueld kalm appèl en toen er op elke vraag „ja" was geantwoord, zeide hij:

— Goddank, dan allen gaan liggen, plat liggen.

Het zevental strekte zich op het vlot uit.

— Ga liggen, vader, zei Amoedoe tot den visscher, die recht overeind stond.

— Ja, jongen, zei de visscher, dat kan, de stroom brengt ons toch uit den wal.

— Kunnen jelui vuren? vroeg Prinsloo.

Sluiten