Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroolijk zag zij er niet uit, want waarlijk nu en dan druppelde er een traan uit haar oogen en vloeide langs haar wangen naar beneden. Zij dacht zeker niet aan het vlechten van kransen, de bedroefde Nanni; integendeel, zij had een gevoel, alsof de vriendelijke zon haai en haai smart bespotte en al de bloemen haar uitlachten.

Werkelijk hoorde zij in haar onmiddellijke nabijheid iemand lachen en haastig droogde zij haai oogen af en trachtte zoo onverschillig mogelijk te kijken.

,Zoo, ben je bedroefd?" klonk het van achter den boom, en meteen kwam de twaalfjarige Gustaaf te voorschijn. Hij ging voor Nanni staan en keek haar aan met een paar oogen die van ondeugendheid schitterden.

„Ben je stom geworden?" vroeg hij, toen hij geen antwoord van het meisje kreeg.

„Ik wou, dat jij stom waart!" klonk het scherp van Nanni's lippen terug.

„Erg vriendelijk van je,' hernam Gustaaf spottend. „En wat wou je nog meer, poesje?"

„Dat je weg gingt en me met rust liet, riep

Nanni uit.

Sluiten