Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn horloge gekeken te hebben; „daarna zullen wij een broodje eten."

„En wanneer dan naar de wilde dieren?" vroeg Gustaaf teleurgesteld. „Ik verlang zoo naar de leeuwen en tijgers."

„Die loopen niet weg," zeide de heer Ebels; „straks."

„'t Zou er ook gek uitzien, als zij wegliepen," fluisterde Mina haar vriendin Cato in; „dan zouden zij ons allen wel opeten."

Schertsend en joelend bereikte ons troepje de apenkooi. Reeds een eind er vandaan hoorden zij de groote bel luiden, die midden in het hok hing, en zij begrepen natuurlijk eerst niet, waar dat gelui vandaan kwam. Dat was een gekrioel daar achter die traliën! 't Leek onze vriendinnetjes en vriendjes toe, alsof er wel honderd, of zooals Ko beweerde, duizend van die aardige, kleine springers in waren! Zij waren als water zoo vlug. Daar hing er één met zijn achterpooten te slingeren aan een ketting, die van het eene naar het andere einde was gespannen. Verbazend, wat ging dat vlug! Wip! Daar duikelde hij om, greep ook met zijn voorpooten den ketting en liep er zoo vlug overheen, alsof hij een koordedanser was. Waar

Sluiten