Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, dat is zoo," zeide de heer Ebels, „maar 't zijn sierlijke beesten; jammer dat ze zoo erg teer zijn. Ze kunnen volstrekt niet tegen koude of tocht, en ze moeten heel zorgvuldig opgepast worden, anders sterven ze. Er zijn er hier al verscheidene gestorven!"

„Wat hoor ik daar toch raar schreeuwen!" zeide Ko, toen zij den tuin een eind verder ingewandeld waren.

„'t Is een akelig geluid."

„O, dat zullen de zeeleeuwen zijn," meende meester Struis; „daar komen wij straks, wij gaan nu eerst naar de nijlpaarden.

„Zeeleeuwen!" riep Mina verwonderd uit. „Zien die er ook zoo uit als de leeuwen die wij straks gezien hebben?"

„Zouden ze ook zoo mooi zijn?" vroeg Cato. „Maar wat zullen die mooie manen nat worden, als ze in de zee leven!"

„Geduld maar," vermaande de heer Ebels glimlachend. „Je moet je echter niet verbeelden, dat ze er uitzien als landleeuwen."

„Hoe clan? Hoe dan?" riepen allen door elkaar.

„Dat zul je wel zien," antwoordde de heer Ebels, terwijl hij voor een groot gebouw bleef

Sluiten