Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit het veld geslagen, want 't speet hem dat hij haai* bezeerd had.

Hij nam haar handen en wilde haar zoo overeind trekken. Nu schreeuwde Lena het uit, en liepen de tranen langs haar wangen. Paul wist nu waarlijk niet, wat hij beginnen moest en ook hem sprongen de tranen in de oogen. Langzamerhand waren er wat menschen om hen heen komen staan, die niet wisten, waarom dat kleine meisje daar zoo op de stoep bleef liggen.

„Wel, kinderen, wat scheelt er aan?" vroeg een goedhartige dikke juffrouw, die een hengselmand aan den arm had. „Jullie moest naar huis gaan, 't wordt bedtijd."

„Jawel, juffrouw, dat willen we ook wel," zeide Paul verlegen, „maar Lena is gevallen en kan niet opstaan."

„Lieve goedheid, heeft het kind een ongeluk gekregen!" riep een andere vrouw ontsteld uit. „Wat moet je nu beginnen?"

„Arme schapen," zeide de dikke juffrouw, medelijdend haar hoofdschuddend. „Waar woon je?"

Paul noemde de straat.

„Dat is een heel eind hier vandaan," hernam zij. „Hoe kom je thuis?"

Sluiten