Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antje ook op den zomer Kwamen, muesuju uuwn zich wel overtuigen, dat zij zich noodeloos ongerust hadden gemaakt.

„'t Zijn ratten of muizen geweest," zeide mevrouw Doornhof eindelijk. „Gaat nu naar bed, en grendelt de deur dan, als je nog niet gerust bent,"

„Maar 't was toch zoo'n raar geluid, mevrouw," zeide Betje nu op verontschuldigenden toon, „precies alsof er iemand tegen een ander sprak."

„Je bent nu toch overtuigd," hernam mevrouw Doornhof, terwijl zij naar de trap ging, die naar

beneden leidde.

De volgende morgen brak aan, en tot groote geruststelling van mevrouw Doornhof zag zij zoowel Antje als Betje, die het hoofd om de deur harer kamer staken, om haar goeden morgen te zeggen.

Vrouw Wenzel kwam dien dag ook weer haar dochtertje bezoeken en vond haar beter dan te voren.

„Moe, wat zei Paul wel?" vroeg Lena.

„Ik begin mij nu wel wat ongerust te maken over den armen jongen," zeide vrouw Wenzel, „want hij is nog niet bij mij geweest."

Sluiten