Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verdween Lucy, terwijl zij een luiden kreet uitstiet! Ik zelf een oogenblik daarna; — en daar lagen wij samen in een donker gat, waar wij niet uit konden komen. Wij riepen om hulp — maar er kwam niemand. Niemand hoorde ons en zonder dien knaap waren wij zeker verhongerd. Kom eens hier, beste jongen! Wie ben je? Hoe heet je? Je hebt ons leven gered en dus wil ik graag toonen, dat ik niet ondankbaar ben."

„Laat dat aan mij over, Sir Edgar," zeide Lambert met een vriendelijken blik op James en Bessy. „Voorloopig gaan zij met ons naar het kasteel terug, 't Is etenstijd en allen zullen wel honger hebben — vooral onze arme Lucy, die er treurig uitziet."

„Och ja, Lambert, ik heb veel honger geleden," zeide Lucy. „Die knaap gaf ons wel wat brood, maar dat heeft op zijn best mijn grootsten honger gestild? Dus laten wij gauw weggaan, Lambert, ik verlang naar wat soep!"

Allen snelden nu naar het park en ondanks hun tegenstreven moesten James, Bessy en Bob ook medegaan. Lambert zorgde er voor, dat zij hun middagmaal vergoed kregen en James had zich over dien ruil niet te beklagen. Zoo lekker had hij nog nooit gegeten als bij den heer Lambert, die vriendelijk met hen sprak en hem vermaande, om maar niet te verlegen te zijn.

„En nu," zeide hij, toen zij verzadigd waren, „nu moeten wij eens hooren, hoe wij onze dankbaarheid kunnen toonen aan de redders. Vertelt mij eens, kinderen, wie ben je? Hoe kwam jullie in de groeve? Wie zijn uw ouders? Kortom, vertel ons alles eens!"

Sluiten