Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alleen kwam en niet zooals gewoonlijk door Edgar en Lucy begeleid werd.

„Wat scheelt er aan, zusje?" riep hij haar toe. „Je ziel er zoo bedrukt uit. Ik geloot heusch, dat je geschreid hebt? En waar blijven Edgar en Lucy?"

„Die zullen vandaag en morgen — ja misschien nooit weer komen, James!" antwoordde Bessv.

„En waarom niet?" vroeg James ontsteld. „Zijn zij boos op mij? Ik heb hun tocli niets gedaan!"

„Lieve Hemel, neen — jij en ik zijn er geen schuld aan," antwoordde Bessy hoofdschuddend. „Maar graaf Ludlow is gekomen, de oom en voogd van Edgar en Lucy, en zoolang die hier is, mogen wij niet meer zoo vrij met elkander omgaan als te voren. Hij heeft nog geen vriendelijk woord tot mij gezegd — integendeel, hij schijnt het allesbehalve prettig te vinden, dat ik op het kasteel ben en hij kijkt mij erg boos aan. Ik ben bang voor hem, James!"

„Waarom bang?" antwoordde deze. „Ziet hij er dan zoo vreeselijk uit?"

„Hij ziet er ondeugend uit, James," zeide Bessy.

Is een groote, magere man met zwart haar en zwarte, stekende oogen, die iemand aankijken, om er van te schrikken. Ik ben bang voor hem. Ja, dat ben ik en ik weet, dat Edgar en Lucy ook bang voor hem zijn!"

„Edgar en Lucy?" vroeg James verwonderd. „Waarom zouden die bang zijn? Hun eigen oom? Kom, dat is niet mogelijk!"

„Nu. ik verzeker je, dat hij hun voogd is en dus

Sluiten