Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouwe, eerlijke jongen, die uw pupillen Edgar en Lucy eens van 'den dood gered heeft."

„Zoo. heeft hij dat gedaan?" vroeg graaf Ludlow hoonend, terwijl hij James een kwaadaardigen blik toewierp, dien deze echter doodkalm verdroeg. „Dat zal een heele heldendaad zijn geweest," ging hij verachtelijk voort. „Als zulk voik een kleinigheid voor ons doet, maakt het er een ophef van, alsof het wonder wat is! Maak nu, dat je wegkomt, lummel, en waag het niet weer hier te komen! Ik kan zulk schelmenpak niet aan het parkhek dulden! Begrepen? Jullie komt hier toch maar om te stelen of schurkerijen uit te halen! Pak je biezen!"

James werd donkerrood en beefde van drift. Hij — stelen of ander kwaad doen! Hij, die iedere belooning, die men hem had aangeboden, bescheiden afgewezen had en voor zijn dienst enkel Tommy had gevraagd! Woedend balde hij de vuist, schudde ze tegen den graaf en keek hem driest in de rollende, zwarte oogen.

„Mijnheer," zeide hij, „wij zijn de kinderen van brave, eerlijke menschen, en gij zult het verstandigst doen met die beleedigingen op te houden, die ik niet van plan ben geduldig aan te hooren. Overigens hebt gij volstrekt geen recht, mij hier vandaan te jagen, want ik sta buiten het park, op grond waarop iedereen mag loopen. En al was ik in het park, dan zou het nog te bezien staan, of gij het recht hebt mij daar uit te jagen. Het park behoort niet aan u, maar aan mijn vriend Sir Edgar, en die zal mij nimmer wegjagen!"

Sluiten