Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich, — de mannen spraken geen Engelsch maar Iersch

— een taal die James, daar zijn vader een Ier was ge weest, — volkomen verstond. Hij boog het hoofd nog wat naar voren en hoorde hoe de roode tot den schele zeide: „Dus is het zeker, O'Brien? Graaf Ludlow betaalt honderd pond voor den overtocht naar Ballygreen?"

„Ja," antwoordde de andere. „Honderd pond, eerst te betalen na de prompte aflevering."

„Top, dan ben ik uw man," zeide de eerste en lachte. „Dat zal een pleiziertochtje worden, 't Is in orde. Ik ben gereed!"

„Goed," zeide de andere. „Maar mondje dicht, kameraad I"

„Wees onbezorgd," antwoordde de eerste. „Wat dat aangaat, kan graaf Ludlow gerust zijn. Maar nu genoeg — ik moet weg om naar mijn schip te zien!"

„Dan ga ik mee," zeide de andere. „Kom!"

De mannen stonden op, betaalden hun vertering en verwijderden zich zonder op James, dien zij niet eens opgemerkt hadden, een blik te werpen. James keek, in gedachten verdiept, hen na en leunde weder inet zijn hoofd in de hand.

„Wat moet dat beduiden?" dacht hij. „Graaf Ludlow

— Ballygreen — een pleiziertochtje — honderd pond? Zou dat betrekking hebben op Edgar en Lucy? Maar neen — die gaan naar Frankrijk en wel naar Parijs! En toch — ik zal er met hen over spreken, wellicht zien zij licht in deze zaak, die mij nog raadselachtig en duister is."

Sluiten