Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mannen, die drie schreden van haar verwijderd stonden, met elkander wisselden, zonder dat haar gelaat het minste of geringste verried.

„Die arme kinderen!" zeide de eene. „Ik beklaag hen! Of zij hier lang zullen blijven?"

„Hun leven lang," zeide de andere. „Ik heb zoo het een en ander opgevangen, dat niet veel goeds voor de gevangenen voorspelt!"

„Wat dan — wat dan?" vroegen eenige stemmen te gelijk. „Vertel verder, Kennedy!"

„Nu, veel is het niet," antwoordde deze. „Ik sprak met den stuurman van den kotter, waarop de gevangenen aankwamen, en die zeide,, toen zij in de boot gingen: „Dat is een presentje van graaf Ludlow, Kennedy, en hij zal ze vooreerst niet terugvragsn, misschien nooit." — „En waarom niet?" vroeg ik. — „Omdat de kinderen hem in den weg staan," gaf hij ten antwoord. „Die jongen is rijk en de graaf is zijn naaste erfgenaam. Als de jongen weg is, zal de graaf zich vetmesten met diens goederen." — „Maar zoolang het kind leeft, kan hij er toch niet aan komen," zeide ik. — „Hij zal wel middelen vinden om er achter te komen," zeide de man. „Let op mijn woorden, Kennedy, de kinderen komen nooit van Ballygreen terug, ten minste niet levend!"

„En daar zal 't wel op uitdraaien," zeide de rnan, die het eerst gesproken en de gevangenen beklaagd had. „De graaf is een slecht niensch, wij kennen hem immers! Die arme kinderen!"

Sluiten