Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de reeën te voeren, die vertrouwelijk uit zijn hand aten.

„Ha, James, beste jongen!" riep de heer Lambert hem te gemoet — „breng je tijding van uw zuster?"

„Neen, mijnheer," antwoordde James. „Integendeel ik kwam juist bij u om tijding."

„Nog niets ontvangen, mijn jongen," zeide de heer Lambert. „Noch van den graaf, nóch van de kinderen. Ik vrees bijna, dat zij een moeilijke overvaart hebben gehad, die lang geduurd heeft. Wij moeten geduld oefenen, lang kunnen de brieven zich niet laten wachten!"

„Maar ik maak mij ongerust, mijnheer Lambert," zeid« James. „Als hun maar niets overkomen is!"

„Komaan — wat zou hun overkomen, James?" vroeg Lambert onbezorgd. „Misschien wat storm — erger is hun zeker niet overkomen, want dan had ik het wel in de couranten gelezen. Neen, neen, wees jij maar niet ongerust, beste jongen."

„Maar, mijnheer Lambert, 'tis toch opmerkelijk, dat wij niets van hen hooren," zeide James. „Volgens mijn berekening moeten zij reeds lang te Parijs zijn aangc komen, en een brief van daar is hoogstens drie of vier dagen onderweg!"

„Dat is niet altijd zeker," hernam de heer Lambert. „Wij hebben in de laatste dagen veel ongunstig weer gehad en dus is het mogelijk, dat er sterke tegenwind was. En bovendien, — och daar weten wij alles van! bovendien geloof ik niet, dat de kinderen zooveel haast

Sluiten