Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ja, vader," antwoordde Toni niet een vriendelijken blik op James, die nu een beleefde buiging maakte.

..Goed — 't doet mij pleizier, dat ik je toevallig ontmoet," ging John Willet voort. „Ben je een Ier?"

„Ja, mijnheer," zeide James — en vertelde toen aan dezen het sprookje, dat hij verzonnen had. John Willet knikte met het hoofd, zeide nog een paar onbeduidende woorden tot de knapen en verwijderde zich toen, zond ar James uit te noodigen zijn zoon op te komen zoeken. Een paar uren later scheidden James en Tom. Toen de eerst bij vrouw Mac-Bally binnentrad, vertelde zij hem, dat een vreemde heer bij haar geweest was, die nauwkeurig naar hem onderzocht had.

„En wat hebt ge hem verteld, tante?" vroeg James in spanning.

„Wel, wat anders dan hetgeen je mij verteld hebt, beste jongen," antwoordde zij. „Hij ging wat in zijn schik weg en scheen zeer verheugd over den lof, dien ik je gaf."

James vermoedde aanstonds, dat de vreemde heer niemand anders was geweest dan John Willet, en verlangde vol ongeduld naar den volgenden dag, daar hij hoopte, dat diens bezoek niet zonder gevolgen zou blijven. En hij bedroog zich niet. Reeds op den morgen van den volgenden dag kwam Tom vol blijdschap aan en riep hem vroolijk toe, dat hij op het kasteel mocht komen.

James was bijna overstelpt van verrukking. Hij zeide echter eenvoudig: „Dat vind ik prettig, Toni. Nu kan

Sluiten