Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In een afgelegen herberg wachtten zij nu op de afvaart van een schip, dat acht dagen later onder zeil zou gaan. Te bestemder tijd gingen zij aan boord, de ankers werden gelicht en vol verrukking meenden de jongens nu aan hun vijand ontkomen te 2.ijn.

Maar hun blijdschap was voorbarig. Op hetzelfde schip bevond zich ook een man, wiens aanblik, toen Edgar hem den dag na hun afvaart zag, hem met zulk een ontzetting vervulde^ dat hij doodsbleek de scheepstrap afstormde en naar James ijlde.

„Wal scheelt er aan, Edgar?" vroeg James, die de ontsteltenis van zijn vriend bemerkte.

„De graaf!" antwoordde Edgar. „Hij wandelt op het dek heen en weder!"

„De graaf? Graaf Ludlow?"

„Hij zelf! Een gezicht als het zijne vergeet men niet' Wij zijn verloren, James!"

„Nog niet," antwoordde deze nadenkend. „Heeft hij je gezien en herkend?"

„Gezien — misschien wel! Maar herkend zeker niet; want toen hij uit zijn kajuit kwam en ik zijn gelaal zag, keerde ik hem aanstonds den rug toe en sloop weg."

„Nu, waarvoor ben je dan bang?" vroeg James. „De overtocht duurt niet lang — je houdt je een paar dagen schuil, hier zal de graaf ons zeker niet zoeken, en in Engeland gekomen, laten wij hem eerst aan wal gaan. Wees niet bang, Edgar! Hij moet ons nu meer vreezen dan wij hem!"

Sluiten